Een wetenschappelijke kijk op tölt

Een wetenschappelijke kijk op tölt

Tölt is een bijzondere gang.
Persoonlijk denk ik dat het de moeilijkste gang is om correct te rijden. Temeer omdat de tölt bij elk paard weer anders is.

Wat weten we eigenlijk van tölt?

Een aantal gangbare ideeën en aannames over tölt zijn:
- ‘Tölt is een soort versnelde stap, vergelijkbaar met snelwandelen’
- ‘Tölt kent geen zweefmoment’
- ‘In tölt heeft het paard altijd één of twee benen aan de grond’
- ‘Tölt is een gebroken laterale beweging, tussen draf en telgang in’
- ‘Tölt wordt gekenmerkt door een zuivere viertakt (‘black-and-de-cker’ / ‘pan-nen-koe- ken’)’
- ‘Tölt is een economische en comfortabele wijze van voortbewegen, zowel voor ruiter als paard’
- ‘In tölt heeft een paard veel oprichting en actie aan de voorkant doordat hij meer gewicht draagt met zijn achterbenen’
- ‘Langzame tölt zoals gevraagd tijdens de wedstrijdproeven T3 en T1 is een verzamelde beweging’
- ‘Tölt- en telgangaanleg zijn genetisch bepaald, sommige rassen hebben deze aanleg, andere niet’

Het is interessant om deze aannames eens af te zetten tegen een aantal bevindingen die naar voren zijn gekomen in wetenschappelijk onderzoek.

De onderstaande tekst vormt een samenvatting van enkele wetenschappelijke publicaties waarin tölt centraal staat. De bronnen staan erbij vermeld:

Tölt is een gang met karakteristieken van zowel een langzame (wandel) gang als van een snelle (ren)gang. Het (meestal) ontbreken van een zweefmoment wijst op een stap-achtige gang, het hoge ritme van de pasafwikkeling en het veelal grote tempobereik wijst op een snelle gang. In tölt vertonen de voorbenen het springveermechanisme dat behoort bij een snelle gang, de achterbenen de pendule (slinger) beweging die hoort bij stap.
[‘Walk–run classification of symmetrical gaits in the horse: a multidimensional approach’,

Sandra D. Starke, Justine J. Robilliard, Renate Weller, Alan M. Wilson and Thilo Pfau, Journey of the Royal Society Interface 29-7-2008 www.royalsociety.org]

Op basis van metingen t.a.v. duur van de standfase van voor- en achterbenen in tölt kan gesteld worden dat tölt meer metabolische kracht (energie) kost dan draf in hetzelfde tempo. Op topsnelheid kost tölt naar schatting ca 15 % meer energie dan galop en telgang.
[‘Comparison of tölt and trot at the same speed:Differences in limb loading and movement’

Nina M. Waldern, Thomas Wiestner, Lea C. Ramseier, Michael A. Weishaupt.

Submitted to the American Journal of Veterinary Research (2014)]

De takt in tölt is veel minder stabiel dan vaak wordt gedacht. Laterale stukken worden afgewisseld met viertakt en soms ook met diagonale stukken, en de beenzetting varieert eveneens, een/tweebeensondersteuning wordt afgewisseld met driebeensondersteuning en zweefmoment (dat laatste alleen in snel tempo). De meeste paarden tölten alleen tactzuiver in één bepaald tempo.
[‘Motion pattern of the tölt of Icelandic horses at different speeds’ Zips S(1), Peham C, Scheidl M, Licka T, Girtler D. Equine Veterinary Journal 33(33):109-11 May 2001]

Laterale aanleg is genetisch bepaald, maar hoe dat precies zit is nog steeds niet helemaal duidelijk. In een in 2012 gepubliceerd onderzoek is vastgesteld dat de mate van laterale aanleg samenhangt met een mutatie van het zogeheten DMRT3-gen, ook wel het Gaitkeeper-gen genoemd. Alle onderzochte vijfgangers waren homozygoot voor deze mutatie en van de viergangers slechts 31%, dus de mutatie is blijkbaar een vereiste voor telgangaanleg. Paarden met homozygositeit voor deze mutatie hadden tevens zwakkere basisgangen.
[‘Mutations in DMRT3 affect locomotion in horses and spinal circuit function in mice’

Lisa S. Andersson et al, Nature 30-8-2012]

Doordat de voorbenen meer opwaarts bewegen en de standfase van de voorbenen in tölt korter is dan die van de  achterbenen (lagere‘duty factor’), worden de voorbenen in tölt (vergeleken met draf) zwaarder belast; de piekkrachten op het voorbeen zijn hoger. Verwacht mag worden dat dit een relatief grote belasting oplevert van m.n. het hoefgewricht en andere structuren in de hoef.
Kinetics and kinematics of the tölt: Effects of rider interaction and shoeing manipulations Dissertatie/promotieonderzoek Nina M. Waldern, Equine Department Vetsuisse Faculty of the University of Zurich Jan 2014]

In tölt is geen sprake (dat wil zeggen, dit is tijdens diverse onderzoeken naar tölt niet vastgesteld) van een gewichtverplaatsing naar de achterbenen, ondanks de hoge hoofd/halshouding in tölt. Het voorbeen draagt meer gewicht. Het feit dat het achterbeen in tölt een hogere ‘duty factor’ heeft dan het voorbeen (ofwel: het achterbeen is langer aan de grond dan het voorbeen) kan de indruk wekken dat het achterbeen meer gewicht draagt dan het voorbeen, maar dat klopt dus niet.
[Kinetics and kinematics of the tölt: Effects of rider interaction and shoeing manipulations Dissertatie/promotieonderzoek Nina M. Waldern, Equine Department Vetsuisse Faculty of the University of Zurich Jan 2014]

Het paard neigt in tölt naar een extensiehouding. De hoofd/halshouding is hoog.
Uit zadelmetingen tijdens een onderzoek naar tölt bij IJslanders kwam naar voren dat de rug in tölt minder hol was dan in draf (zadels ‘brugden’ minder), ondanks dat de paarden in tölt met een hogere hoofd/halshouding liepen. De onderzoekers stelden dat dit wellicht te maken heeft met het feit dat IJslanders een kortere, stijvere rug hebben dan andere paardenrassen. Het zal ook te maken hebben met het feit dat de rug in tölt statischer is dan in draf.

[Kinetics and kinematics of the tölt: Effects of rider interaction and shoeing manipulations Dissertatie/promotieonderzoek Nina M. Waldern, Equine Department Vetsuisse Faculty of the University of Zurich Jan 2014]

Op basis van verschillende criteria is door diverse onderzoekers vastgesteld dat in tölt geen sprake is van verzameling in de klassiek-rijkunstige betekenis van het woord. Zo werd aan de hand van het meten van de hoogte van achterknie en sacrum op het moment dat het achterbeen gewicht draagt (respectievelijk gelijk en hoger dan in draf in vergelijkbaar tempo) vastgesteld dat in tölt geen sprake is van het gebogen onderbrengen van de gewrichten van het achterbeen, zoals bij verzameling in draf (passage/piaffe). Ook werd, zoals hierboven al gezegd, geen gewichtsverplaatsing naar de achterbenen gemeten. Wel werd vastgesteld dat in tölt het achterbeen verder ondertreedt, echter zonder dat het paard daalt in de achterhand.
[‘Comparison of tölt and trot at the same speed:Differences in limb loading and movement’

Nina M. Waldern, Thomas Wiestner, Lea C. Ramseier, Michael A. Weishaupt.

Submitted to the American Journal of Veterinary Research (2014)]

Geen wetenschappelijke bevinding, maar wel een interessant ter aanvulling op het laatste punt, is de volgende observatie van een Amerikaanse dressuurpaardentrainer: In een verzamelde draf (passage, piaffe) werken beide achterbenen onder de massa; ook in de retractiefase blijft het achterbeen onder het lichaam van het paard. In tölt is, ongeacht het tempo, het bewegingsmechanisme van de achterbenen zodanig dat het achterbeen alleen in de protractiefase en gedurende het eerste deel van de standfase onder de massa is.

Uit de hierboven genoemde wetenschappelijke bevindingen kunnen we opmaken dat tölt een gang is die het midden houdt tussen wandelen en rennen. Het vermogen om te tölten is deels te herleiden tot een genmutatie die paarden oplevert met veel laterale aanleg, maar tevens zwakkere basisgangen. Verder kost tölt  relatief veel energie, is de takt in tölt niet stabiel en is tölt ondanks het ‘bergopwaartse’ beeld geen verzamelde beweging, En de piekbelasting van de voorbenen is in tölt relatief hoog.
Wordt met deze eigenschappen van de tölt door ruiters en trainers van IJslandse paarden voldoende rekening gehouden?

Laten we bovengenoemde zaken eens bekijken vanuit het perspectief van de hedendaagse IJslandersport.

Instabiliteit van de takt
Bij veel goede tölters verschuift de takt in snelle tölt in meerdere of mindere mate van tactzuiver naar een iets laterale beweging. Het ideaal is echter een 100% taktzuivere tölt in alle tempi, en een laterale tölt betekent in de sport puntenaftrek. Dat is rijtechnisch niet zo gemakkelijk te beïnvloeden. Om toch een betere takt te verkrijgen, worden deze paarden tijdens wedstrijden met gewicht aan hun voorbenen gereden in de vorm van zolen met siliconenvulling en ballenboots van maximaal 250 gram.

Hetzou misschien eerlijker en realistischer zijn als in de sport minder puntenaftrek gegeven zou worden voor een iets laterale (of diagonale) takt in het snelle tempo bij een paard dat verder goed en mooi tölt, met een goede houding en beweging, en dat door zijn ruiter netjes en eerlijk voorgesteld wordt.

Taktfouten en taktverstoringen die het gevolg zijn van een verkeerd lichaamsgebruik bij het paard en/of een storende inwerking door de ruiter moeten daarentegen altijd leiden tot puntenaftrek.

Zwakke basisgangen
Er zijn maar weinig IJslanders met èn een goede, gemakkelijk te rijden tölt, èn een snelle stabiele telgang, èn sterke, taktmatige basisgangen.

Doorgaans is bij de echte vijfgangers de draf min of meer gebroken in plaats van een zuivere tweetaktbeweging, ook bij paarden die zo op het oog mooi en gemakkelijk draven. De galop is achter vaak wat gelopen, ook als het paard vóór een mooie sprongbeweging maakt. De stap is de enige basisgang waarbij de kwaliteit niet direct te relateren is aan de gangaanleg.
Echte viergangers hebben vaak betere, taktmatiger basisgangen, maar moeten meer bevestigd en ondersteund worden in de tölt.
 

De vraag is of het realistisch is om naar ‘the best of both worlds’ te streven. Vijfgangers vertonen, veel meer dan viergangers, een stuwend achterbeenmechanisme. Ook zijn ze vaak wat stijver in hun rug. Dit zorgt voor stabiliteit in snelle tölt en telgang.
Toch wordt ook in de vijfgangenproeven verwacht dat het paard in de basisgangen taktmatig en ‘over de rug’ beweegt en stabiel nageeflijk is. Er is wat dat betreft geen verschil in de jurering van viergangenproeven en vijfgangenproeven, de omschrijving van wat men per gang wil zien is gelijk. Veel vijfgangers bewegen echter beter, meer volgens hun natuurlijke bewegingspatroon, als ze wat vrijer en losser worden gereden, in plaats van met de nadruk op nageeflijkheid en een stabiele aanleuning.

‘Verzameling’ in tölt
Langzame tölt wordt veelal gezien als een beweging waarvoor het paard verzameld moet worden. In dat streven naar verzameling wordt soms met veel druk gereden, met een verkeerd houdings- en bewegingspatroon bij het paard tot gevolg.

Je ziet dan paarden die aan de voorkant veel beweging tonen, maar achter niet door kunnen treden. Dat wil zeggen: ze kunnen de opgewekte impuls alleen verwerken door hun rug vast te zetten en ‘tegen de teugel op te klimmen’. De teugelverbinding is strak (bij een IJslands bit te zien doordat de scharen vrijwel constant op één lijn staan met de teugel, in plaats van dat ze naar beneden hangen) en de hoofd-halspositie is gefixeerd, zonderhalslengte en zonder beweging in het nek- en kaakgewricht.

Het paard gebruikt in deze houding zijn onderhalsspier om zijn voorbeen op te trekken, in plaats van dat de beweging via zijn bovenlijn van achteren naar voren door kan vloeien. Het bekken blijft hoog doordat het paard nauwelijks buigt in de lumbo-sacrale overgang. De achterbeenbeweging is kort en oogt verkrampt.

Zou zo’n paard met minder druk en met meer ‘lucht’ aan de voorkant gereden worden, dan zou hij wellicht minder spectaculair bewegen in het voorbeen en een minder langzaam tempo kunnen handhaven, maar het beeld zou wel minder geforceerd zijn doordat het paard meer kans krijgt te bewegen binnen zijn natuurlijke vermogen, en dus zijn lichaam beter kan gebruiken.

Tegenwoordig zie je wel dat het rijden met veel druk afneemt. De regels voor het beoordelen van langzame tölt zijn ook wat aangepast, een heel langzaam tempo wordt niet meer gevraagd. Maar combinaties die uitblinken in balans, draagkracht, lichtheid en vloeiende bewegingen in langzame tölt zijn nog steeds veruit in de minderheid.

Meer ruiters van IJslandse paarden (en sportjuryleden) zouden zich moeten realiseren dat langzame tölt, net al tölt in het algemeen, rijtechnisch en biomechanisch gezien geen echt verzamelde beweging is in de klassieke betekenis, en dat het nastreven van een optisch beeld van verzameling geen zin heeft omdat dit het paard gemakkelijk forceert tot een ongezond bewegingspatroon. Beter is het te streven naar een correct horizontaal evenwicht, met wat minder oprichting en wat meer halslengte, waarbij het paard zijn achterbenen goed onderbrengt, zonder dat hij met druk zo veel mogelijk ‘op zijn achterhand’ gereden wordt.

Hoge piekkrachten op de voorbenen
In de sport zien we graag een paard met een grote voorbeenbeweging.
Om de ruimte en actie in het voorbeen te bevorderen is het toegestaan om met gewicht aan de voorbenen te rijden. Dit gewicht wordt ook gebruikt om de takt in de gangen, met name in tölt,  te verbeteren.

Het maximale toegestane gewicht is best groot: zolen met vulling, ballenboots/springschoenen tot 250 g en 10 mm hoefijzers. Bovendien mogen de hoeven vrij lang gelaten worden, 9-9,5 cm, en lange hoeven betekenen ook meer gewicht. Daarnaast heeft het lang laten van de hoeven invloed op de afwikkeling van de voet.

In tölt zijn de piekkrachten (dat is dus wat anders dan de belasting in het algemeen) op de voorbenen bij het neerzetten van de voorhoeven relatief groot, groter dan in draf en galop. Dit heeft voornamelijk te maken met de springveerbeweging van het voorbeen in tölt.
De piekkrachten nemen toe als er gereden wordt met extra gewicht aan de hoeven. Het gewicht zorgt ervoor dat de voorbeenbeweging groter wordt, waardoor het voorbeen ook met meer impact wordt neergezet. In het bewuste wetenschappelijke onderzoek kwam naar voren dat de piekkrachten verder toenemen naarmate de snelheid groter wordt.

Je kunt je voorstellen dat dit behoorlijk belastend is voor de voorbenen, met name voor de gewrichten en structuren in de ondervoet. Die moeten de klappen opvangen.
Rechtuit is deze belasting al groot, maar in de bochten wordt deze nog groter doordat er dan ook zijwaartse krachten op de betreffende structuren inwerken. In snelle tölt door de bochten van de ovaalbaan rijden is dus zeer belastend voor de voorbenen en voorvoeten.

Daarbij komt nog dat de bodem van de meeste ovaalbanen nogal hard is. Zie je bij rijbakken en in springtuinen materialen als tapijtsnippers, polyvlokken of zaagsel, al dan niet gemengd met zand, ovaalbanen bestaan uit harde materialen als steenslag, gravel of gemalen puin. Paarden tölten daar gemakkelijker op doordat een dergelijke bodem de energie van de afzet niet/nauwelijks absorbeert zoals een zachtere bodem dat wel doet. Een harde bodem is echter wel extra belastend voor de gewrichten.

Al met al hebben de voorbenen en – voeten van IJslanders in de sport dus heel wat te verduren.
Het zal niet voor niets zijn dat overvulling/irritatie/overbelasting van de hoefgewrichten een relatief veel voorkomend probleem is bij sportgetrainde IJslanders.
Minder gewicht aan de voorbenen hangen en de bochten niet op maximale snelheid en niet aan de binnenkant doorrijden kan al schelen. Verder zou het niet onverstandig zijn als de materialen die gebruikt worden voor ovaalbanen eens heroverwogen zouden worden.

Conclusie

De wetenschappelijke bevindingen over tölt geven ons meer inzicht in hoe het paard in tölt beweegt. Het is een prachtige gang, maar het is ook een gang waarin het erg nauw luistert hoe het paard gereden wordt. Laten we zuinig zijn op onze prachtige tölters, niet alleen door te leren van de wetenschap, maar ook door ons gezonde verstand te gebruiken.
 


 

Inloggen
stalskyjafar.nl - site by site by Kant en Klare site uw eigen unieke website!